Het onderwijs verschilt van de meeste sectoren op deze site op een punt dat aan het begin van elke analyse moet staan: de rechtsvorm. Waar een winkelketen of een horecaketen bijna vanzelfsprekend een B.V. of vergelijkbare kapitaalvennootschap is, bestaat een groot deel van het onderwijs uit stichtingen, verenigingen, publiekrechtelijke lichamen of instellingen die op een andere manier zijn vormgegeven dan een gewone onderneming. Dat is niet een detail. Veel Europese ESG-wetgeving is geschreven met de onderneming als uitgangspunt, en de vraag of en hoe die wetgeving op een stichting of een publiekrechtelijk orgaan van toepassing is, wordt per regel en per rechtsvorm anders beantwoord.
Daarnaast is de verhouding tussen publiek en privaat gefinancierd onderwijs relevant, zonder dat daar een percentage aan te hangen is. Het grootste deel van het onderwijs in Nederland ontvangt publieke financiering in een of andere vorm, ook waar de rechtsvorm privaatrechtelijk is. Die mengvorm van publieke bekostiging en privaatrechtelijke organisatie maakt dat een instelling zich niet automatisch kan indelen bij "bedrijfsleven" of "overheid": de indeling hangt af van de precieze structuur, de financieringsvorm en de vraag of de instelling economische activiteiten verricht in de zin die de wetgeving hanteert.
De kernwetgeving rond duurzaamheidsrapportage en due diligence in de keten werkt met omvangscriteria: aantal werknemers, omzet, balanstotaal. Voor een reguliere onderneming is dat een rekensom. Voor een onderwijsinstelling ligt dat minder recht toe recht aan. Is de relevante eenheid de school, de scholengroep, het bevoegd gezag, of de stichting waarin meerdere instellingen zijn samengebracht? Bij samenwerkingsverbanden en fusiebesturen kan de omvang van de rapporterende eenheid heel anders uitvallen dan de omvang van de school waar een ouder of leerling mee te maken heeft. Welke drempel precies geldt en hoe die op onderwijsinstellingen wordt toegepast, is iets wat per instelling uitgezocht moet worden aan de hand van de actuele wettekst en de bijbehorende toelichting, niet iets waarvan hier een vaste waarde te geven is.
Due diligence-verplichtingen in de keten zijn geschreven met een productieketen in gedachten: grondstof, fabricage, transport, verkoop. Een onderwijsinstelling heeft een andere keten: leveranciers van leermiddelen, cateraars, schoonmaakbedrijven, ICT-leveranciers, bouwbedrijven bij nieuwbouw of renovatie. Of en in welke mate een instelling zelf onder ketenverplichtingen valt, hangt af van de eigen omvang en rechtsvorm. Maar ook een instelling die zelf niet direct verplicht is, kan als onderdeel van de keten van een grotere partij gevraagd worden om informatie te leveren, bijvoorbeeld door een uitgever, een cateraar of een bouwpartner die zelf wel onder de regels valt. Die indirecte druk verschijnt vaak eerder dan de directe verplichting, en instellingen die daar niet op voorbereid zijn, merken dat aan onverwachte vragenlijsten.
De kern van CSRD en CSDDD is Europees, maar de manier waarop lidstaten deze richtlijnen omzetten in nationale wetgeving verschilt, en dat raakt onderwijsinstellingen op een specifieke manier. Nationale wetgevers moeten keuzes maken over de behandeling van publiekrechtelijke instellingen, van onderwijsstichtingen en van instellingen die gedeeltelijk publiek gefinancierd zijn. Die keuzes staan niet in de Europese basistekst, maar in de Nederlandse omzettingswet en de daarbij behorende lagere regelgeving. Een instelling die alleen de Europese richtlijn raadpleegt, mist precies het deel van de regel dat op de eigen rechtsvorm van toepassing is. Dezelfde onderschatting van nationale koppen speelt in andere sectoren op een andere manier: wie wil zien hoe dat werkt bij een sector met een vergelijkbaar vraagstuk rond vergunningen en toezicht, kan de analyse lezen over de ESG-verplichtingen die gelden voor de energiesector, waar sectorspecifiek toezicht en Europese regels elkaar op vergelijkbare wijze overlappen.
Ook zonder uitsluitsel over de precieze drempel of de exacte reikwijdte kan een instelling nu al in kaart brengen welke verplichtingen mogelijk relevant zijn, wie binnen de organisatie daarvoor verantwoordelijk zou zijn, welk bewijs al bestaat en welke control daarop ontbreekt. Dat overzicht is precies waar de Compliance Check voor bedoeld is: geen nieuwe regelset, maar een manier om per mogelijke verplichting een eigenaar, een bewijsstuk en een control te benoemen, zodat een bestuur op een later moment kan aantonen dat de vraag serieus is onderzocht. Andere sectoren met een vergelijkbare vraag over rechtsvorm en reikwijdte staan ook beschreven, zoals de afweging bij de ESG-plichten van de financiële dienstverlening en de vraag hoe ketenregels doorwerken bij de ESG-verplichtingen in de agrarische sector, waar eigendomsstructuur eveneens bepalend is voor de uitkomst.
Zodra duidelijk is welke verplichtingen mogelijk gelden, volgt een andere vraag: wie binnen de instelling het werk van uitzoeken, documenteren en bijhouden gaat verzetten, en hoeveel daarvan met bestaande capaciteit te doen is. Rapportage- en compliancewerk bestaat voor een groot deel uit herhaalbare taken: gegevens verzamelen, formats invullen, bewijsstukken ordenen, status bijhouden. De werkscan van FTE TO AI rekent per taak uit welk deel daarvan door AI over te nemen is, niet als vervanging van de beoordeling die een bestuur of een auditor maakt, maar als manier om te zien waar capaciteit vrijkomt voor het werk dat wel menselijk oordeel vergt. Voor een instelling die net begint met uitzoeken onder welke regels ze valt, is dat een logische volgende stap zodra het overzicht van verplichtingen er ligt.
Vraag maar welke verplichting op u van toepassing is, en waaraan u dat kunt aantonen.
Antwoorden komen uit de kennisbank van deze site. Geen advies op maat, en geen scan van uw bedrijf.